- 6 juli 2025
- Alfons
- 0 reacties
Het bootje voer kabbelend door het grachtwater.
In een stad is het nooit helemaal donker. Deze nacht was zonder wolken en de maan scheen bijna voluit. De boot leek geen haast te hebben, maar viel op door z’n eenzame bestaan. De woonboten langs de kade leken in rust, niemand aanwezig op het dek en de ramen verduisterd. Door deze woonboten aan beide zijden, leek hij op z’n plek, maar door als enige in beweging te zijn, viel hij op.
Er zat een vogel aan het roer, een vreemde vogel. Dat moest wel, want hij leek ’s nachts te leven. Z’n klederdracht leek op de nachtelijke kou en het leven op water afgestemd te zijn. Diepe groeven in z’n gezicht leken te zeggen dat het leven zich in hem had verdiept. De schuit zal zo’n zes meter lang zijn geweest en breed genoeg om vuilniszakken zwerfafval mee te nemen. Dat is wat hij deed. Met z’n zaklamp tuurde hij het water af in het holst van de nacht, op zoek naar drijvend afval. ‘Laat de aarde schoner achter dan je hem aantrof,’ had z’n vader gezegd.
Ik had over hem gehoord in de wandelgangen van de stad. Nu heb ik hem met eigen ogen gezien.