- 25 januari 2026
- Alfons
- 0 reacties
Een vader en zoon fietsten haastig door de straat. Zoon zat achterop en vader wees mijn kant op. ‘Is dat hem?’ vroeg hij aan z’n zoon. De jongen schudde van nee en ze fietsten door terwijl ik over de stoep liep met de hond. Ik keek ze na en vroeg me af wat hen bezig hield. De vader kwam me bekend voor van het schoolplein.
Een minuut later kwamen vader en zoon naast me fietsen. Vader vroeg of ik ook een verdacht persoon had gezien. ‘Een verdacht persoon.’ Dat was nog eens een omschrijving. ‘Hoe ziet een verdacht persoon eruit?’ wilde ik hem vragen, maar ze leken geen tijd te hebben voor overdenkingen. ‘Niet dat ik weet,’ antwoordde ik dus maar. ‘Oh,’ zei de vader. ‘Iemand heeft net op straat z’n geslachtsdeel laten zien aan m’n zoontje,’ legde hij uit. ‘Och jeumig,’ wist ik uit te brengen en ik keek de jongen aan. Tranen welden op toen z’n vader de woorden uitsprak. Ze waren op zoek naar de dader.
‘Is dat hem?’ Hij had mij aangewezen. In zijn ogen kon ik een verdacht persoon zijn. Er was iets met die omschrijving. Het klonk als politie- of televisietaal. Het klonk tevens als iets wat ik niet wilde zijn.